Frankrijk

Officiële naam: République Française (Franse Republiek)

Oppervlakte: 543.965 km2

Inwoners: 57.747.000 (1994)

Staatsvorm: republiek

Staatshoofd: Jacques Chirac (president sinds 1995)

Hoofdstad: Parijs

Officiële taal: Frans

Officiële munt: Franse frank = 100 centimes

Frankrijk is wat oppervlakte betreft de grootste staat van West-Europa. Van noord naar zuid bedraagt de grootste afstand 975 km en de grootste oostwest afstand bedraagt ongeveer een zelfde aantal kilometers. De staatkundige grenzen van Frankrijk zijn sedert lang stabiel, met uitzondering van de grens met de Bondsrepubliek Duitsland. De grenzen zijn voor het merendeel van natuurlijke aard: in het noorden en noordwesten het Nauw van Calais en Het Kanaal, in het westen de Atlantische Oceaan, in het zuiden de Pyreneeën en de Middellandse Zee en in het oosten de Alpen, de Jura en de Rijn. Frankrijk grenst in het noorden aan België en Luxemburg, in het oosten aan Duitsland en Zwitserland, in het zuidoosten aan Italië en Monaco, en in het zuiden aan Spanje en Andorra.

Frankrijk heeft in de geschiedenis nooit een geïsoleerde positie ingenomen, maar door de eeuwen heen opengestaan voor invloeden van buitenaf en omgekeerd grote invloed uitgeoefend op landen over de hele wereld verspreid. Gedurende eeuwen is Frankrijk, na Groot-Brittannië, de grootste militaire en koloniale wereldmacht geweest. Dit was onder andere mogelijk door de ligging van het land aan twee belangrijke zeeën: de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee. In de 20e eeuw is de macht van Frankrijk afgenomen en stilaan werd het land een middelgrote mogendheid. Tot Frankrijk behoren enkele afhankelijke gebieden, verspreid over de gehele wereld.

 

Frankrijk

Tot de ineenstorting van het Westromeinse Rijk viel het huidige Frankrijk grotendeels samen met de provincie Gallië. In 481 werd Clovis, aanvoerder van de binnenvallende Franken, koning van het door hem gestichte Frankische Rijk. Onder Karel de Grote (768-814) beleefde dit rijk zijn hoogtepunt en omvatte een gebied van de Ebro tot aan de Elbe, maar onder Karels opvolgers werd het weer verdeeld. Hugo Capet (987-996) gaf het koningschap weer aanzien en vanaf zijn tijd tot in de 14e eeuw beleefde het rijk een periode van grote bloei. Van 1337 tot 1440 woedde een reeks Frans-Engelse oorlogen over het land (de Honderdjarige Oorlog genoemd), die rampzalige gevolgen hadden voor het economische en sociale leven. De aanleiding tot deze oorlogen was de aanspraak die de Engelse koning, getrouwd met een dochter van Filips de Schone, deed gelden op de Franse troon.

Een legendarische persoon uit deze tijd is Jeanne d'Arc. Zij verdreef de Engelsen uit het belegerde Orléans, maar werd gevangen genomen en verbrand in Rouen (1431).

Het land herstelde zich, totdat een nieuwe serie oorlogen Frankrijk teisterde: de godsdienstoorlogen (1562-98). Deze oorlogen braken uit toen in het rooms-katholieke Frankrijk het protestantisme geleidelijk aan meer terrein won. Dit betekende een bedreiging voor het centrale gezag van de koning die vanouds gesteund werd door de rooms-katholieke Kerk. Calvinisten (hugenoten genoemd), o.l.v. Hendrik van Bourbon (koning van Navarre), en katholieken, geleid door de familie Guise, bestreden elkaar. Catharina de Medicis, regentes voor haar minderjarige zoon, speelde in het verloop van het geweld een belangrijke rol; zij was verantwoordelijk voor de gruwelijke Bartholomeusnacht (1572), waarin ca. 6000 hugenoten werden afgeslacht. Hendrik van Bourbon bekeerde zich tot het katholicisme en maakte tijdens zijn regering (1589-1610) een eind aan de godsdienstoorlogen d.m.v. het edict van Nantes (1598), waarbij de hugenoten vrijheid van godsdienstoefening werd verleend.

Kardinaal Richelieu, eerste minister van Lodewijk XIII (1610-1643), maakte de weg vrij voor de absolute monarchie. Lodewijk XIV, de Zonnekoning, regeerde als absoluut heerser van 1643-1715, waarbij hij een sterk centralistische politiek voerde. Onder de regeringen van Lodewijk XV en XVI werden de uitgaven van de koninklijke hofhouding steeds hoger, de staatsschuld steeg als gevolg van de vele oorlogen, terwijl het grootste deel van de bevolking onder ellendige omstandigheden leefde. Dit wekte hoe langer hoe meer ongenoegen en toen de Staten Generaal in 1789 bij elkaar kwamen n.a.v. een belastinghervorming, riep de derde stand zich uit tot Nationale Vergadering en beloofde het land een grondwet. Op 14 juli 1789 werd de Bastille, het symbool van de absolute monarchie, bestormd en ingenomen, waarmee het sein tot de Franse Revolutie werd gegeven en een eind kwam aan het Ancien Régime.

Even voor de onthoofding van Lodewijk XVI (1793) begon de Eerste Republiek (1792- 1804), waarin vanaf 1795 de uitvoerende macht in handen was van een Directoire, dat in 1799 door generaal Napoléon Bonaparte omvergeworpen werd. Napoléon regeerde het land 15 jaar lang, eerst als consul, toen als consul voor het leven en daarna als keizer. In naam van de principes van de Franse Revolutie veroverde hij een groot deel van Europa, maar werd in 1815 definitief bij Waterloo verslagen, waarna de monarchie met Lodewijk XVIII werd hersteld (1814-1824). Diens opvolger, Karel X (1824-1830), vaardigde in 1830 een aantal ordonnanties uit (o.a. censuur op de pers), waarop in Parijs een opstand uitbrak en de koning vertrok. De burgerkoning Louis-Philippe (1830- 1848) maakte deze omstreden ordonnanties weer ongedaan. Onder Louis-Philippe voerde minister Guizot een dermate conservatieve politiek dat in 1848 opnieuw een opstand uitbrak, die de val van de monarchie en de vlucht van de koning naar Engeland betekende. In Parijs werd een voorlopige regering gevormd, die een grondwet voor de Tweede Republiek (1848-1852) opstelde met als president een neef van Napoléon: Lodewijk Napoléon. In 1852 echter ontbond Lodewijk Napoléon de wetgevende vergadering en riep het 2e keizerrijk uit, waarover hij als keizer Napoléon III tot 1871 zou regeren. In die periode bouwde Frankrijk een groot koloniaal rijk op. Alleen de expeditie naar Mexico (1862-1867) werd een enorme mislukking, die het prestige van de keizer flink aantastte. De voor Frankrijk ongunstige afloop van de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) betekende het einde van Napoléon III en de inlijving van de Elzas en het noorden van Lotharingen door Duitsland.

De Derde Republiek (1871-1940) kende een enorm gebrek aan politieke stabiliteit: tot aan WO I traden 50 verschillende kabinetten op. In die periode beleefde Frankrijk ook de opkomst van het socialisme (1905: oprichting van de socialistische partij) en het vakbondswezen. Aan de reeks kolonies en protectoraten werden nieuwe toegevoegd: 1897: Indochina, Madagaskar; 1883: Tunesië; 1908: Frans Equatoriaal Afrika; 1912: Marokko; hiermee was Frankrijk de tweede koloniale mogendheid na Groot-Brittannië geworden.

In 1914 vielen de Duitsers het noorden van Frankrijk binnen. Na de slag om de Marne, waar het Duitse offensief door Joffre en Galliéni werd gestopt, speelde de oorlog zich voornamelijk af in de loopgraven. Bijna 1 miljoen Fransen sneuvelden. Bij het Verdrag van Versailles moest Duitsland de Elzas en Lotharingen weer afstaan aan Frankrijk. Na WO I heerste in Frankrijk grote angst voor een nieuwe Duitse aanval en het sloot bondgenootschappen met Polen, Tsjechoslowakije, Roemenië en Joegoslavië. De kwestie van de herstelbetalingen door de Duitsers leidde in 1923 tot de bezetting van het Ruhrgebied, Duitslands belangrijkste economische centrum.

De grote economische wereldcrisis van 1929 trof Frankrijk pas in 1932. Geen van de kabinetten die tot WO II regeerden, wist het land er bovenop te helpen. Scherpe kritiek op de regering kwam van uiterst rechtse, fascistisch getinte groeperingen, waarop socialisten en communisten zich verenigden in het Volksfront (1936) o.l.v. Léon Blum.

 

Frankrijk na 1871 en wat daaraan vooraf ging:

 

Derde Republiek

In 1870 in Frankrijk uitgeroepen republiek, die tot 1940 bleef voortbestaan. Na de nederlaag in de Frans-Duitse oorlog koos het Franse volk een Nationale Vergadering, die ondanks de monarchistische gezindheid van het grootste deel van de leden, bij gebrek aan een geschikte kandidaat voor het koningschap, koos voor de republiek. De tegenstellingen tussen de republikeinen en de monarchisten drukte een stempel op de eerste decennia van de Derde Republiek. Door de versplintering van de partijen ontbrak politieke stabiliteit en werd het land geteisterd door vele politieke crises, waarvan de Dreyfus-affaire de bekendste is. Tussen 1871 en 1914 traden vijftig verschillende kabinetten op. In deze periode bouwde Frankrijk een koloniaal rijk op in Afrika en Azië. Aan de interne verdeeldheid kwam tijdelijk een eind toen het land in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) betrokken raakte. Frankrijk was in het Interbellum politiek eveneens zeer instabiel en kende antiparlementaire demonstraties van zowel links als rechts. De Stavisky-affaire in 1934 bracht de republiek in discrediet; de Duitse inval gaf haar in 1940 de genadeslag.

Tussen de twee wereld oorlogen : Interbellum

Benaming voor het tijdvak tussen de twee wereldoorlogen (1919-1939) en in het bijzonder voor de problemen in verband met de internationale ontwikkelingen in die tijd. Na de Eerste Wereldoorlog verwachtten velen dat eindelijk de idealen van vrede, veiligheid en vooruitgang over de hele wereld konden worden verwezenlijkt. Men trachtte door de oprichting van de Volkenbond een internationaal systeem van collectieve veiligheid, los van nationale belangen te vestigen. De jaren 1925-1929 werden gekenmerkt door economische opleving en enorme toename van de wereldhandel. De wereldcrisis van 1929 vormde de omslag naar een veel pessimistischer tijd, waarin het geloof in democratie en liberalisme onder druk kwamen te staan. In veel landen werd steeds luider geroepen om een sterke regering; een eng-nationalistisch klimaat ontstond met veel nadruk op recht en orde. De garantiesystemen brokkelden af en gesloten verdragen werden niet nagekomen. De laatste jaren voor het uibreken van de Tweede Wereldoorlog werden beheerst door de vraag hoe Hitler- Duitsland aangepakt moest worden.

Wie regeerde Frankrijk :

Napoleon Bonaparte van voor 1799 tot 1814

Twee keizers van Frankrijk uit de Corsicaanse familie Bonaparte en één wettige nakomeling.

Napoleon I Bonaparte (1769-1821), keizer van Frankrijk (1804-14). Maakte een snelle carrière in het leger. Verdreef de Oostenrijkers uit Italië (1796-97) en hoewel minder succesvol tegen de Engelsen werd het Directoire van hem afhankelijk. Greep in 1799 door de 'staatsgreep van 18 brumaire' de macht en verkreeg onbeperkt gezag. Consolideerde de sociale verworvenheden van de Franse Revolutie, maar beknotte de politieke, rondde de centralisatie af en de codificatie van het recht, verbeterde de belastinginning. Maakte van de veroverde gebieden satellietstaten onder leiding van zijn familieleden en beëindigde het Heilige Roomse Rijk door oprichting van de Rijnbond. Regering kenmerkte zich door oorlogen

(Coalitieoorlogen), deels succesvol (Austerlitz, Jena), deels vernietigend (veldtocht naar Rusland, Leipzig). Tot afstand gedwongen in 1814 en verbannen naar Elba. Poging de macht te herwinnen; na Honderd dagen (1815) mislukt door definitief verlies bij Waterloo. Verbannen naar Sint-Helena. In geschiedschrijving en publieke opinie zowel verafgood als verguisd. Bijgezet in de Dôme

des Invalides te Parijs.

Napoleon II (Frans Karel Jozef, bijnaam 'Adelaarsjong'; 1811-1832), zoon van Napoleon I uit het om politieke en dynastieke redenen gesloten huwelijk met aartshertogin Marie Louise van Oostenrijk. Kreeg bij de geboorte de titel 'Koning van Rome' en in 1818 - via zijn grootfamilie van moederszijde - het hertogdom Reichstadt.

Napoleon III (Karel Lodewijk Napoleon; 1808-1873), keizer van Frankrijk (1852- 71), zoon van Lodewijk Napoleon, de broer van Napoleon I. Kwam in 1848 aan de macht na presidentsverkiezingen. Keizerskroning goedgekeurd via een plebisciet. Stimuleerde de economie door het uitvoeren van grote werken (o.a. stadsvernieuwing van Haussmann). Nam deel aan de Krimoorlog, mengde zich in de Italiaanse vrijheidsoorlog en vergrootte het koloniale rijk (verovering Algiers). Het fiasco van het Mexicaanse avontuur verzwakte zijn positie. Verlies in de Frans-Duitse oorlog (gevangenneming bij Sedan) leidde tot de val van het keizerrijk. Stierf in ballingschap in Engeland.

 

Karel X

Karel X (1824-1830), vaardigde in 1830 een aantal ordonnanties uit (o.a. censuur op de pers), waarop in Parijs een opstand uitbrak en de koning vertrok

Louis-Philippe (1830- 1848) De Burger koning maakte deze omstreden ordonnanties weer ongedaan. Onder Louis-Philippe voerde minister Guizot een dermate conservatieve politiek dat in 1848 opnieuw een opstand uitbrak, die de val van de monarchie en de vlucht van de koning naar Engeland met zich meebracht.

Lodewijk Napoléon. In 1852 echter ontbond Lodewijk Napoléon de wetgevende vergadering en riep het 2e keizerrijk uit, waarover hij als keizer Napoléon III tot 1871 zou regeren. In die periode bouwde Frankrijk een groot koloniaal rijk op. Alleen de expeditie naar Mexico (1862-1867) werd een enorme mislukking, die het prestige van de keizer flink aantastte. De voor Frankrijk ongunstige afloop van de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) betekende het einde van Napoléon III en de inlijving van de Elzas en het noorden van Lotharingen door Duitsland.

 

 

Thiers, Marie Joseph Louis Adolphe

(1797-1877) Frans politicus en historicus. Minister van Binnenlandse Zaken (1832-36), premier en minister van Buitenlandse Zaken (1836 en 1840). Voerde vanaf 1836 oppositie tegen Napoleon III. President van de Derde Republiek (1871-73).

 

Mac-Mahon, Marie Edmé Patrice Maurice de

(1808-1893) Hertog van Magenta, maarschalk en staatsman. Behaalde successen in de Krimoorlog (1853-56) en in Italië (1859), waar hij de Oostenrijkers bij Magenta versloeg. In de Frans-Duitse oorlog verslagen bij Sedan (1870), samen met de keizer. Onderdrukte in 1871

de opstand van de Commune en werd (monarchistisch) president van Frankrijk (1873-79). Trad af toen de Senaat een republikeinse meerderheid kreeg.

 

Grévy, François Judith Paul Jules (Jules)

(1807-1891) Frans republikeins politicus. Lid Constituerende Vergadering (1848), voorzitter Kamer (1871-79) en president (1879-87).

 

Sadi-Carnot, Marie François

(1837-1894) Frans ingenieur en politicus, kleinzoon van Lazare Carnot. Weerstond als president (1887-1894) het boulangisme en richtte zich op een alliantie met Rusland. Te Lyon vermoord door een anarchist.

Faure, François Félix : overleden 16-02-1899.

(1841-1899) Frans staatsman, president van 1895 tot 1899, tijdens welke periode het bondgenootschap met Rusland werd verstevigd. Stierf onder verdachte omstandigheden.

 

Emile Loubet

 

Fallières, Clément Armand

(1841-1931) Frans links-republikeins politicus. Eén maand premier in 1883, vele malen minister. Voorzitter van de Senaat (1899-1906) en president (1906-13).

 

Poincaré, Raymond Nicolas Landry

(1860-1934) Frans jurist en gematigd republikeins politicus, neef van Jules H.P. Was tussen 1893 en 1912 herhaaldelijk minister. Voerde als premier (1912-13) en president (1913-20) een anti-Duitse defensiepolitiek (o.a. invoering driejarige dienstplicht). Premier (1922-24: bezetting Ruhrgebied; 1926-29: stabilisering franc).

Eerste Wereldoorlog

(1914-1918) Oorlog in Europa tussen de Centralen (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en Turkije) en de Geallieerden (Frankrijk, Engeland, Rusland, België, Servië, later ook Italië, Roemenië en de VS). Directe aanleiding was de moord op de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand, gepleegd op 28 juni 1914 door een Servische nationalist in Sarajewo. Via een complex systeem van allianties raakten alle grote machten bij dit conflict betrokken. Achtergrond van de oorlog was de rivaliteit en het wederzijdse wantrouwen tussen de Europese mogendheden: Frankrijk wilde wraak voor de vernedering in de Frans-Duitse oorlog van 1870; Oostenrijk-Hongarije vreesde de invloed van het panslavisme; Engeland was bang voor de commerciële, koloniale en maritieme concurrentie van Duitsland, terwijl Duitsland oorlog als een middel zag om de dominante macht van Europa te worden. De oorlog zou vier jaar duren en kostte in totaal aan zo'n 8,5 miljoen mensen het leven. De Duitse opmars in Frankrijk werd al snel tot staan gebracht waarna het westelijk front weinig beweging meer vertoonde (loopgravenoorlog). Duizenden stierven voor minimale terreinwinst. Na de Russische Revolutie in 1917 sloot de communistische regering in maart 1918 de afzonderlijke vrede van Brest-Litovsk met Duitsland. De strijd aan het westelijk front nam een keer toen de VS zich in 1917 bij de geallieerden aansloten. De oorlog werd beëindigd op 11 november 1918 toen de Duitsers een wapenstilstand tekenden. Tussen de geallieerden en de overwonnen centrale mogendheden werden in 1919/1920 de vredesverdragen van Versailles gesloten. Oostenrijk-Hongarije viel uiteen in een serie nieuwe staten; Polen werd weer een onafhankelijke staat. Duitsland kreeg een harde vredesregeling opgelegd, die in de jaren twintig een voedingsbodem zou vormen voor militant nationalisme. De Eerste Wereldoorlog met haar zinloos bloedvergieten betekende een klap voor het 19e-eeuwse vooruitgangsoptimisme.

 

Paul Deschannel 21/09 1920 démission.

 

Millerand, Etienne Alexandre

(1859-1943) Frans socialistisch politicus. Eerste socialistische minister (Handel en Nijverheid, 1899-1902; invoering werktijdverkorting). Vervreemdde echter van zijn achterban en werd als partijlid geroyeerd (1904). Minister van Openbare Werken (1909-10), Oorlog (1912-13; 1914-15) en premier (1920). Steunde als president (1920-24) Poincaré's scherpe koers tegen Duitsland (bezetting Ruhrgebied). Tot aftreden gedwongen na een verkiezingsoverwinning van het linkse kartel.

 

Paul Doumer.

 

Doumergue, Gaston

(1883-1937) Frans radicaal-socialistisch politicus, was enkele malen minister, o.a. onder Clemenceau, voor hij president werd (1924-1931). In 1934 vormde hij een regering van

nationale eenheid om het Stavisky-schandaal op te lossen, maar hij verloor reeds na enkele maanden de steun van links, toen hij de uitvoerende macht wilde versterken.

 

Lebrun, Albert

(1871-1950) Frans politicus. Kamerlid (1900-1911), lid Senaat (1920-32), van 1931-32 voorzitter; bekleedde verscheidene ministersposten. Laatste president (1932-40) van de

derde Republiek.

In deze periode een bindende figuur, acceptabel voor links en rechts. Trok zich terug na de Franse nederlaag. Geïnterneerd door de Duitsers (1943-44).

 

Pétain, Henri Philippe Benoni Omer Joseph

(11-07-1940 tot 20-08-1944) Vichy Frankrijk

(1856-1951) Frans maarschalk en politicus. Zeer succesvol in WO I; kreeg na zijn overwinning bij Verdun (1916) de bijnaam 'held van Verdun'. Tussen de wereldoorlogen o.a. gelegerd in Marokko (neerslaan Rif-opstand) en werkzaam als minister van Defensie (1934). Sloot in 1940 de wapenstilstand met Duitsland, dat hem aan het hoofd stelde van het niet bezette zuiden (door de residentie bekend als Vichy-bewind, dat nauw samenwerkte met Duitsland). Hoewel niet anti-democratisch omringde Pétain zich met adviseurs van de fascistische Action Française

Vichy-Frankrijk

Het niet door de Duitse troepen bezette deel van Frankrijk, van juli 1940 tot augustus 1944 bestuurd vanuit Vichy. De Vichy-regering pretendeerde onafhankelijk te zijn, maar werkte in feite in toenemende mate samen met Duitsland. Maarschalk Philippe Pétain (1856-1951) riep zichzelf uit tot hoofd van de Franse staat en voerde een autocratisch en uiterst conservatief beleid. Na de oorlog werd hij berecht en ter dood veroordeeld, een straf die werd omgezet in levenslange gevangenisstraf.

(o.a. Laval). Na WO II wegens hoogverraad ter dood veroordeeld; weldra omgezet in levenslang. Een maand voor zijn dood om gezondheidsredenen ontslagen.

 

La France Libre in Londen.

Charles de Gaulle (16-06-1940-09-11-1944) Gouvernement Provisoire

Einde 3e republique 1944

Action française

Franse nationalistische beweging, opgericht in 1899 ten tijde van de Dreyfus-affaire door Charles Maurras. De beweging was monarchistisch, antisemitisch en antiparlementair; in de jaren dertig raakte het betrokken bij het fascisme. De Action française steunde het Vichy-regime, waarmee het aan het eind van de Tweede Wereldoorlog ten onder ging.

 

Laval, Pierre Jean Marie

(1883-1945) Frans politicus. Verschillende malen minister. Premier 1931- 32 en 1935-36 (gedwongen aftreden i.v.m. Abessinië). Voorstander van een nauwe samenwerking met Duitsland. Regelde de ontmoeting tussen Hitler en Pétain in 1940 te Montoire. Vice-premier van de Vichy-regering (1940) en na een kortstondige machtsvermindering (1940-42) de onbetwiste leider tot de Duitse capitulatie. Terechtgesteld 1945.

 

IV e République

Vierde Republiek

Frankrijk tussen 1946 en 1958. Na de oorlog spraken de Fransen zich in een referendum uit tegen de grondwet van de Derde Republiek. De nieuwe constitutie voorzag in een almachtige Nationale Vergadering en, in tegenstelling tot de wensen van De Gaulle, een president met geringe macht. Dit systeem bleek uiterst instabiel; in 12 jaar vielen 23 regeringen. De dekolonisatie bezorgde de Republiek grote moeilijkheden; in Indochina vocht Frankrijk een onsuccesvolle oorlog en de Algerijnse opstand (1954-1962) leidde in 1958 bijna tot een conservatieve machtsgreep. Ter oplossing van de politieke impasse besloot men tot de instelling van een sterk presidentschap. Dit betekende het einde van de Vierde en het begin van

de Vijfde Republiek.

 

25-08-1944 Gouvernement Provisoire de la république Francaise (Parijs)

Charles de Gaulle President van de vrije Fransen.

Van 18-06-1940 tot 3-0601944 in London en van 25-08-1944 tot 13-11-1946 in Parijs

 

Gaulle, Charles André Joseph Marie de

(1890-1970) Frans militair en politicus, stichter en eerste president (1958-69) van de vijfde Republiek. Nam na de capitulatie van Frankrijk (1940) als generaal in Engeland de leiding op zich van de 'Vrije Fransen', die zich tegen de Duitsers en het Vichy-bewind verzetten. Van 1944-46 hoofd van de voorlopige regering. Werd in 1958 als redder in de nood teruggeroepen

toen de Vierde Republiek vastliep op de Algerijnse onafhankelijkheidskwestie. Zijn per referendum goedgekeurde grondwet beperkte de macht van het parlement en versterkte die van de president. Loste de Algerijnse kwestie op, streefde naar een onafhankelijke positie van Frankrijk in de wereldpolitiek. Reorganiseerde het leger, stabiliseerde de franc en begon de opbouw van een Franse kernmacht. Benadrukte de onafhankelijke positie van Frankrijk door de Franse strijdkrachten uit de NAVO terug te trekken (zonder het lidmaatschap op te geven) en knoopte relaties aan met Oost-Europa. Wilde zijn land een leidersrol in Europa geven. Hield o.a. daarom Engeland uit de EG. De mei-revolte van 1968 leidde tot zijn aftreden.

16-01-1947 tot 26-06-1954

Vincent Auriol : President

Leefde van (1884-1966) Frans socialistisch politicus. Parlementslid (1914) en enkele malen minister. Sloot zich in WO II aan bij De Gaulle. Eerste president van de Vierde Republiek (1947-1954).

 

Indochinese oorlogen

(1946-1954, 1959-1975) Na 1945 in Indochina uitgebroken oorlogen in het kader van de dekolonisatie. Frankrijk poogde na de Tweede Wereldoorlog zijn koloniale macht in Vietnam te herstellen, maar kwam daarbij in conflict met de nationalistisch-communistische Vietminh. De Fransen verloren deze Eerste Indochinese oorlog; in 1954 werden ze bij Dien Bien Phu verslagen. De Tweede Indochinese oorlog (1959-1975) is beter bekend als de Vietnam-oorlog.

 

 

16-01-1954- tot 1-06-1958

René COTY President

Coty, René Jules Gustave

(1882-1962) Frans republikeins politicus, kamerlid (1923) en senator (1935). Na WO II o.a. minister van Wederopbouw in de regering-Schuman. Hij was de laatste president van de Vierde Republiek (1953-1958) en moest onder druk van vooral de gebeurtenissen in het buitenland (Algerije en Indo-China) wijken voor De Gaulle.

 

Algerijnse oorlog

(1954-1962) Onafhankelijkheidsoorlog van het in 1954 opgerichte Algerijnse Nationale Bevrijdingsfront (FLN) tegen het Franse koloniale bestuur. De oorlog werd aan beide zijden met wreedheid gevoerd, waardoor de tegenstellingen tussen de Algerijnen en de Franse kolonisten verscherpten. In 1958 werd in Cairo een Algerijnse regering in ballingschap gevormd. De angst van het Franse leger dat de regering met de FLN zou onderhandelen, mondde uit in een staatsgreep in Algiers en een politieke crisis in Frankrijk waarin de Vierde Republiek ten onder ging en De Gaulle aan de macht kwam. Ook hij streefde een politieke oplossing na; in 1960 kwamen blanke kolonisten (ca. 1 miljoen) hiertegen in verzet tijdens de zg. barricadenopstand. De Algerijnse oorlog bracht Frankrijk in een permanente binnenlandse crisis die pas beëindigd werd met de conferentie van Evian in maart 1962. Algerije kreeg daar zijn onafhankelijkheid onder president Ben Bella (geb. 1916). Vrijwel alle kolonisten verlieten het land.

 

 

Ve Republiek

08-01-1959 tot 28-04-1969

Charles de Gaulle : President

Indochinese oorlogen

Frankrijk poogde na de Tweede Wereldoorlog zijn koloniale macht in Vietnam te herstellen, maar kwam daarbij in conflict met de nationalistisch-communistische Vietminh. De Fransen verloren deze Eerste Indochinese oorlog; in 1954 werden ze bij Dien Bien Phu verslagen. De Tweede Indochinese oorlog (1959-1975) is beter bekend als de Vietnam-oorlog.

 

gaullisme

Franse politieke beweging gebaseerd op de ideeën en regeringsstijl van Charles de Gaulle (1890-1970). De Gaulle, verzetsleider in de Tweede Wereldoorlog, was in 1945-1946 kortstondig president, maar trad af toen de volksvertegenwoordiging weigerde een sterk presidentschap te creëren. Toen in 1958 een crisis in de Algerijnse oorlog uitbrak, kreeg hij met de nieuwe grondwet alsnog zijn zin: hij werd de eerste president van de Vijfde Republiek, bekleed met grote bevoegdheden. De Gaulle probeerde het gedaalde internationale prestige van Frankrijk op te vijzelen door het voeren van een onafhankelijke en eigenzinnige buitenlandse politiek. Hij initieerde de opbouw van de Franse kernmacht, trok Frankrijk terug uit de militaire structuur van de NAVO en verzette zich hevig tegen Britse deelneming in de EEG. Door intensieve contacten met Oost-Europa probeerde hij de kloof tussen Oost en West te verkleinen om uiteindelijk een Europa 'van de Atlantische Oceaan tot de Oeral' te scheppen. De enorme studentenopstand van mei 1968 leidde tot het aftreden van De Gaulle in 1969. Het gaullisme bleef onder zijn opvolger Georges Pompidou nog geruime tijd bestaan.

 

mei revolte 1968

Franse studentenopstand in mei 1968 in Parijs. Het studentenprotest was aanvankelijk gericht tegen het verouderde onderwijssysteem, maar liep uit op een aanval op de gevestigde orde in het algemeen en het autoritaire bewind van president De Gaulle (president: 1958-1969) in het bijzonder. Op 13 mei kondigden de arbeiders een algemene staking af ter ondersteuning van de studenten. De bijna-revolutie eindigde met uitgebreide concessies aan studenten en arbeiders en leidde uiteindelijk tot de val van De Gaulle op 28 april 1969. Mei-1968 was het hoogtepunt van het internationale studentenprotest van de jaren 1965-1970 en werd tot symbool van de vernieuwingen eind jaren zestig - begin jaren zeventig.

 

15-06-1969 tot 02-04-1974

Georges Pompidou: President

Pompidou, Georges Jean Raymond

(1911-1974) Frans gaullistisch politicus en letterkundige. Directeur van het kabinet van De Gaulle (1958-59), lid Grondwetgevende vergadering (1959), premier (1962-68) en president (1969-74). Zette in grote lijnen de politiek van De Gaulle voort, maar trad o.m. inzake EG gematigder op.

van 19-05-1974 tot 10-05-1981

Valéry Giscard d'Estaing : President

(geb. 1926) Frans politicus. Opgeleid aan de àcole Polytechnique en de àcole Nationale d'Administration. Kwam in 1956 voor de onafhankelijke republikeinen in het parlement en werd in 1966 tevens partijleider. Minister van Financiën (1962-66) en Economie en Financiën (1969-74). Na het overlijden van Pompidou in 1974 was G. de presidentskandidaat van de 'burgerlijke' partijen: hij versloeg de socialist Mitterrand met krappe meerderheid (50,8%). Op zijn beurt versloeg deze G. verrassend in 1981.

 

Van 10-05-1981 ror 07-05-1995

Francois Mitterand : President

(geb. 1916) Frans socialistisch politicus, studeerde rechten en politieke wetenschappen. Tijdens WO II in het verzet, lid van de Assemblée in 1946. Nam deel aan elf regeringen van de Vierde Republiek (o.m. minister van Binnenlandse Zaken onder Mendès-France). Senator (1959-62), nadien weer in de Assemblée. Sinds 1955 tevens burgemeester van Château-Chinon (Nièvre). Reorganiseerde de socialistische partij en werd hiervan secretaris-generaal (1971). Als kandidaat van de Linkse Unie met de communisten in de presidentsverkiezingen van 1974 verslagen door Giscard (in 1965 verloor Mitterrand de verkiezingen tegen De Gaulle); behaalde - hoewel slechts kandidaat voor de socialisten - een verrassende zege op Giscard in 1981 en werd de eerste socialistische president van de Vijfde Republiek. In 1998 werd hij met grote meerderheid herkozen voor een tweede termijn. Mitterrand, die in 1994 geopereerd werd aan prostaatkanker, maakte zijn termijn helemaal af en werd in 1995 opgevolgd door Jacques Chirac, de leider van de gaullistische Rassemblement pour la République (RPR).

van 07-05-1995 tot

Jacques Chirac : President

Voluit :Chirac, Jacques René

(geb. 1932) Frans politicus, prominent figuur in de gaullistische beweging. Hij was enkele malen staatssecretaris, vervolgens minister van Landbouw (1972-74) en van Binnenlandse Zaken (1974). Door president Giscard d'Estaing werd hij in 1974 aangesteld als premier. Hij bracht op behendige wijze eenheid in de gaullistische partij UDR, waarvan hij voorzitter werd. Sinds 1976 heet deze partij RPR (Rassemblement pour la République). Hij kwam regelmatig in conflict met de republikein Giscard d'Estaing en trad af in augustus 1976. Van 1977 tot 1986 was Chirac burgemeester van Parijs. Na de presidentsverkiezingen in 1986 stelde hij in opdracht van de net gekozen socialistische president Mitterrand, als vertegenwoordiger van de grootste partij, een nieuwe regering samen, waarvan hij zelf premier zou zijn tot 1988. In mei 1995 volgde Chirac de aftredende president Mitterrand op. Na zijn aantreden kondigde Chirac aan dat Frankrijk vóór mei 1996 (wanneer een internationaal verbod op kernproeven van kracht wordt) in het zuiden van de Stille Oceaan nog een laatste reeks kernproeven zal uitvoeren. De internationale gemeenschap, en met name Greenpeace en de landen Australië, Japan en Nieuw-Zeeland, protesteerden heftig. Met dit besluit, en met onder meer zijn agressieve uitspraken met betrekking tot de Bosnische crisis (het voorstaan van hard militair ingrijpen), wist Chirac in korte tijd een beeld te creëren van een impulsief en welhaast ondiplomatiek politicus.