De zaak was 6 dagen in de week geopend van 6.30 - 22.30 uur (!),
's zaterdags tot 23.30 uur. Op de openingsdag van de winkel
bedroeg de omzet ongeveer 1,45. Bedroevend, ook voor die tijd.
De week erna stonden de mensen tot op de stoep.
Zaterdags stond de hele winkel vol mensen, totdat Simon de Wit in
Schiedam een winkel opende waar ook koffie, thee, suiker etc.
verkocht werd. Toen ging de klandizie sterk achteruit.
Vader Jan Landheer grossierde ook in koffie, thee, tabak etc. De koffie, thee en (poeder)suiker etc. werd op een handkar geladen en zo aan andere collega-winkeliers afgeleverd. Wanneer het 's winters gesneeuwd had, was de handkar moeilijk te hanteren (stijle houten bruggen, gladheid!). Dan werd Kreupele Janus ingeschakeld die meehielp door met een touw de handkar te trekken.
Vader Jan Landheer had voor het pakhuis in Schiedam een timmerman in dienst genomen. Op een dag moesten er in de sigarenkamer stellingen gemaakt worden. Dat was het werk voor de timmerman en op aanwijzingen van vader Jan werden de planken etc. gemonteerd. "Hier nog een plank, en daar nog één". Toen het geheel uiteindelijk klaar was kon de timmerman er niet meer uit: hij had zichzelf "ingetimmerd". Vader Jan zei: "Ik heb nog nooit een man zó horen vloeken".
In Den Haag ook een winkel, die niet zo goed liep en werd gesloten.
In Maassluis was ook een zaak, waar bessensap nog met de hand gemaakt
werd.
Verder was hij commissaris van een steenfabriek in Waddinxveen,
waar hij eens per jaar heen ging. Die fabriek was eigendom van
Oom Jongenburger, dus van de kant van Hugo's moeder.
's Ochtends meldden zich twee zoons, keurig in het pak.
"Ik heb geen werk voor Heren" zei hij dan.
Naar Waddinxveen, gingen ze eerst met de stoomtram naar Rotterdam
(10 cent), dan met de trein naar Gouda en daar vervolgens overstappen
op de boot. Echt nog een reis.
Een kennis van Hugo, een tuinder in het Westland, was eens
op reis in de U.S.A. Wat vond hij daar ergens op straat? Een
zakje met als opdruk "Jan Landheer & Co, koffie, thee, tabak en
snuif".
Eenmaal per week ging vader Jan via Vlaardingen per fiets naar
Maassluis, een enkele maal met een van de kinderen, ¾ à
1 uur fietsen. Een mooie tocht langs de dijk. Er werden daar de
inkomsten van de week afgerekend. Het was een kruidenierszaakje met
een man die een zijden pet op had en een lange kruideniersjas droeg.
Hij verkocht er ook snoep voor een cent. Mijn vader was eens
getuige van zo'n aankoop door een jongen die een ulevel voor een
cent wilde hebben. Hij kreeg een ulevel die wat groot was
uitgevallen en de zijden-pet-man vroeg of 't niet erg was dat ie
een beetje groot was. Nee zei de jongen heel ernstig.
Boven de winkel was de woning, waar Hugo's zuster Marie en broer
Bert zijn geboren.
Later kocht Hugo's vader een winkelpand aan de overkant van de
straat; Hugo en zijn zuster Jo werden in het woonhuis erboven
geboren. Hugo weet het niet zeker, maar hij dacht dat die
verhuizing schuin naar de overkant van de Hoogstraat ondernomen
werd omdat vader Jan daar een pand in eigendom kon krijgen.
Hugo en vader Jan maakten nog mee dat heien met de hand werd gedaan. Mannen in een kring, ieder een touw en één riep "haal op die hei!". En dan hesen ze gezamenlijk het heiblok omhoog.
De moeder van Hugo kon heel goed schaatsen. Ze heeft in haar leven meer dan eens prijzen gewonnen voor schoonrijden.
Hugo kreeg bij Willem Hardenberg in Rotterdam tekenlessen toen hij elf jaar was. Hugo is zijn ouders altijd heel dankbaar gebleven. de lessen kostten 1,00 enals hij met een vriendje kwam werd de prijs 0,75.
Hugo had een droom toen hij ongeveer 5 jaar was. Jo was dan
ongeveer 3½ jaar.(Dat klopt niet, zij verschilden bijna 3
jaar in leeftijd en Hugo zal dus stellig iets ouder zijn
geweest ten tijde van zijn droom).
Zij stonden aan weerszijden van een rond tafeltje en Jo was
op haar borst behangen met rijen medailles. Toen vroeg Hugo
haar heel lief, of hij er één van haar mocht hebben,
waarop ze furieus néé riep. Daarop werd Hugo zo boos
dat hij tegen de tafel aanduwde, waardoor Jo achterover
viel en dood was.
Deze droom heeft hem jaren lang nog dwarsgezeten, temeer omdat
Jo zelf helemaal niet gewelddadig was.
Hugo werd vaak geplaagd op school. Hij was anders dan de
andere kinderen (toen al kunstzinnig?).
Het werd zo erg dat hij 's avonds in een hoekje van een kamer op
zijn knieën eens heeft gebeden, of het pesten niet zou kunnen
ophouden.
Een neef van Hudo stond eens op de stoomtram van Schiedam naar Rotterdam en vroeg aan de machinist: "Rijdt eens héél hard." De machinist stookte de ketel flink op en reed inderdaad heel hard!
Een wasmand met wasgoed voor 6 personen kostte 1,00. De was werd uitbesteed aan een wasvrouw, die in de arbeiderswijk onder de dijk (de Hoogstraat was en is een dijk) woonde. Toen de wasvrouw eens ziek was, bracht Hugo's moeder haar een pannetje soep.
Jo kreeg eens een flesje reukwater. Dat was iets heel bijzonders in de tijd van Hugo's jeugd. Als je blij bent, zei Hugo tegen haar, moet je dansen. En dat deed ze. Daar ging haar flesje op de grond, in gruzelementen. Ja toen werd er wel door Jo gehuild. Hoe het verder is afgelopen is niet bekend.
De vader van zwager Ben (de echtgenoot van zuster Marie) was dominee. Marie vertelde zelden iets over de kerk. Maar op een dag zei ze dat schoonvader dominee de hele avond met de boeren van het dorp had zitten vergaderen over één onderwerp: Moest er n.l. gesproken worden over De Heer of over De Here. Het eind van het liedje was dat men vond dat beide "aanspreektitels" gebruikt mochten worden.
Hugo had de volgende anecdote: Aan een jonge jongen werd eens gevraagd hoe oud zijn grootvader was die bij de jongen thuis woonde. Dat wist hij niet, maar hij was "wel heel erg oud want we hebben hem al lang!"
Een "rijmpje" uit de tijd van Hugo:
In Schiedam, in Schiedam, in zedig Schiedam
daar hebben alle hondjes een zwembroekie an!
Tijdens een gymnastiekles van Hugo (op zijn H.B.S.?) was de
leraar boos op een jongen en gooide een soort houten kegel
(waarmee geoefend werd) naar die jongen.
Wat in die tijd waarschijnlijk nooit voorkwam: de leerling smeet
die kegel terug naar de leraar. Deze wist met zijn houding
waarschijnlijk niet goed raad en riep toen: "Jij bent nog eens
een flinke kerel!"
Toen Hugo in Epe neerstreek (02 november 1935 was de verhuisdatum van Den Haag naar Epe), wilde hij wel eens de Renderklippen (Een groot heuvelig heidegebied) gaan bekijken. Hij vroeg de weg erheen aan een oude boer. Die antwoordde: "Oh, daar is niks te zien, hier een bargie, daar een bargie."
Op 08-09-1994 zegde Hugo een rijmpje van vroeger op:
Ga je in een groot hotel, dan kost je dat veel fooien,
ga je in een klein hotel, dan zit je in de vlooien."
Verteld op 22-07-1995, tevens Hugo's laatste anecdote:
Oom Hendrik Landheer had in Delft een sigarenwinkeltje. Op een
dag kwam er een oud zeemannetje vragen of hij niet een pijpje
mocht stoppen. Oom Hendrik vond dat goed. De volgende dag kwam de
man weer en wederom gaf Oom Hendrik hem de tabak. Zo ging dat
drie dagen achtereen.
Op 't laatst (de vierde dag of zo) vroeg hij de zeeman: "Maar wie
ben je eigenlijk?" waarop die antwoordde: "Weet je dat dan niet
meer? Ik ben dat mannetje dat hier iedere dag zijn pijpje komt
stoppen!"