De Geschiedenis herleeft met
“De Blauwe Rus”

erfenis der Tsaren

 

Blauw als een strakke winterlucht, met de koele zilverglans van eersteklas schaatsijs. Zijdeachtig soepel met een dichte dubbele haarinplant en zacht opstaand als een zeehondenvel. Dat is de vacht van een Blauwe Rus, geheel anders dan welk ander kattenras dan ook. Menig mooi Russisch meisje droomde vroeger van een bontmuts en handmof van dat prachtige luxebont, want volgens de overlevering werd de Blauwe Rus oorspronkelijk gefokt voor de bontwerkerij… Arme katten! 

Moedertje Rusland. Dat is het liefdevolle koosnaampje dat de Russen hun geboorteland geven. Bij de gedachte alleen al aan dat uitgestrekte lege land van hun Slavische voorouders springen hun ogen vol tranen van ontroering. Bij alle Russen, ook al zijn zij eerst onderdrukt en uitgebuit door een meedogenloos en verkwistend Tsarenregime, vervolgens geplunderd en bedrogen door hun rode heersers en nu ten slachtoffer gevallen aan uitzichtloze armoede en stuurloze chaos, blijft de liefde voor het moederland ongebroken. Zeventig jaar van bolsjewistische dictatuur met zijn in de wet verankerende goddeloosheid hebben niet kunnen verhinderen dat het vuur van het Christelijk geloof in de harten van de Russen nooit is gedoofd en nu het communistisch bouwwerk in elkaar is gestort ogenblikkelijk weer is opgevlamd, waarbij vele Russen nog steeds ten diepste overtuigd zijn van de uitverkoren plaats van Rusland is voor hen nog steeds het Heilige Russische Rijk dat stamt uit de tijd der Tsaren. 

Hoevele landen bogen niet op een eigen nationaal kattenras? Ja, ontlenen daaraan zelfs een deel van hun patriottische trots? En vrijwel steeds blijkt zo’n aanspraak op niets gestoeld. Komt de Blauwe Rus bij wijze van uitzondering nu werkelijk uit het land van balalaika’s, blini’s, en borsjt? Gods eigen Moedertje Rusland? 

Archangelsk en het Winterpaleis der Romanows

De Blauwe Rus heeft een verwarrende geschiedenis achter de rug. Dat blijkt niet alleen uit de elkaar opvolgende tegenstrijdige omschrijvingen van de uiterlijke raskenmerken, maar ook uit het grote aantal verschillende namen waarmee dit kattenras in de loop der tijden is opgesierd. Zo stond deze kat bekend als de Spaanse kat, Maltese kat en Oosters Blauw. Maar tot omstreeks 1900 sprak men voornamelijk van de Kat van Archangelsk. Archangelsk (wat Aartsengel betekent) is een Noord Russische havenplaats aan de Witte Zee, een inham van de Noordelijke IJszee, nog ten westen van Nova Zembla. Het heeft korte tijd een belangrijke  rol gespeeld in de koortsachtige ontdekkingsreizen gedurende de tweede helft van de Middeleeuwen. Tot het einde van de zestiende eeuw beoefenden de machthebbers van het Iberische schiereiland het doeltreffende alleenrecht uit over de zuidelijke zeeroutes naar het Oosten, die ontdekt waren door de Portugese zeevaarders Da Gama en Magelhaen. 

Voor de Engelsen en de Hollanders scheen de enige hoop om de Oosterse handelsmarkten te bereiken nog slechts te liggen in het ontdekken van nieuwe zeewegen in het Noordelijk Halfrond. De Engelsen trachtten een weg te vinden oostwaarts door de Noordelijke IJszee langs de noordkust van het Aziatische vasteland: Rusland, Siberië en Jkoetië.  In opdracht van Koningin Mary I werd in 1553 het eerste gedeelte tussen Londen en Archangelsk in kaart gebracht door Richard Chancellor. Omstreeks 1580 hadden de Engelsen en de Hollanders beiden Nova Zembla en de monding van de rivier de Ob bereikt. Toen sloeg het pakijs dat ze daar tegenkwamen voorgoed alle hoop op succes de bodem in. De Hollanders waagden nog een vertwijfelde poging via Spitsbergen over de Noordpool naar China te zeilen, maar meer dan de ontdekking van nieuwe walvisjachtgebieden leverde dat avontuur niet op. De Engelsen trokken meer profijt uit hun mislukking. Aanvang zeventiende eeuw, onder Koningin Elizabeth I, halfzuster en opvolgster van Koningin Mary I, bestonden er levendige handelsbetrekkingen tussen Engeland en Rusland. Toen ook werden uit Archangelsk de eerste exemplaren van de Blauwe Russen mee naar Engeland genomen. Althans dat wordt beweerd, maar enige geloofwaardige schriftelijke bron uit die tijd ontbreekt te enen male.
Wil dat nu ook zeggen dat er geen bewijsbare verbindingen zijn te vinden tussen de Blauwe Rus en Archangelsk? Het hangt er maar van af wat wij als bewijs wensen te aanvaarden. Omstreeks 1860 is er ten tweede male sprake van de “eerste” Kat van Archangelsk die door de Britse zeelieden uit die handelshaven zou zijn meegenomen. En in het begin van 1900 kwamen er al weer twee katten uit Archangelsk naar Engeland, de poezen Lingpopo en Yula van Mrs. Carew-Cox uit Saffron Walden in het graafschap Essex.
Maar ook hiervan zijn geen onomstotelijke schriftelijke bewijzen terug te vinden. Hoe het ook zij, de Kat van Archangelsk onderscheidde zich door een uiterst sierlijk langgerekt en slank lichaam met een smal driehoekig kopje met een lange snuit. Alle vroege commentaren roepen over de prachtige dubbele zijdeachtige vacht met zijn adembenemende zilverglans. 

In later jaren is er ook uitvoerig sprake van het feit dat de Kat van Archangelsk het geliefde speelgenootje was van de Romanows in het Winterpaleis. Maar deze bewering kunnen we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid naar het rijk der fabelen verwijzen. Want dat bevoorrechte huisdier is dan wel opvallend afwezig op alle – vaak ook heel huiselijke – foto’s van Tsaar Nicholaas,  Tsarina Alexandra, Tsarewich Alexei en zijn zusters, de Grootvorstinnen Olga, Maria, Tatiana en Anastasia. En dat nu juist in de tijd dat het de grote mode was dat de adel en de rijkdom zich met hun kat liet portretteren. En dan zwijgen we nog maar over de omstandigheid dat Tsaar Nicholaas een geestdriftig amateurfotograaf was. Uit dezelfde periode stam men talrijke foto’s van Koningin Victoria van Engeland en haar zoon, de Prins van Wales, de latere King Edward VII, neef van Tsaar Nicholaas, in gezelschap van hun katten. Het is trouwens nog om een ander feit ook niet waarschijnlijk dat katten in het dagelijks gezelschap van de kleine Tsarewich werden toegelaten. Alexei leed in zo’n ernstige mate aan de bloederziekte dat hij geregeld met hevige pijnen langdurig het bed moest houden. Zijn ouders die zich uit bezorgdheid voor hem zelfs met de duivelse, aan alcohol en sexuele uitspattingen verslaafde monnik Raspoetin hadden ingelaten, zouden zeker het gevaar van een kattenkrab of –beet voor hun aanbeden troonopvolger niet hebben willen riskeren.  

Malta

Malta bestaat uit twee kleinere eilandjes, midden in de Middellandse Zee, nog geen honderd kilometer ten zuiden van Sicilië. De titel van het Maltese volkslied luidt “ Aan dit lieflijke land” maar zijn geschiedenis, die teruggaat tot de Phoeniciërs, is in bloed geschreven. Door de eeuwen heen is Malta het slachtoffer geweest van de mogendheden die het Middellandse Zeegebied trachtten te beheersen. Het spreekwoord luidt: “Wie Malta bezit, bezit de Middellandse Zee”. Zo is dit strategisch bastion in handen geweest van een bonte rij veroveraars: Phoeniciërs, Grieken, Carthagenen, Byzantijnen, Romeinen, Arabieren, Noormannen, de ridders van de Maltezer Orde, Fransen en Engelsen. Nog gedurende de Tweede Wereldoorlog werd Malta geteisterd door niet aflatende meedogenloze luchtbombardementen van de Asmogendheden Duitsland en Italië. Wegens betoonde heldenmoed tijdens deze aanvallen kreeg de hele bevolking het St. George Cross uitgereikt.
In deze borrelende smeltkroes van volkeren, talen en culturen was het goed handel drijven. Kostbare, uitheemse koopwaar genoot de voorkeur. In de tijd der Grieken en Phoeniciërs hoorden daar ook katten toe. In het oude Egypte van die dagen waren dat innig vereerde goden en godinnen, toegewijd aan Bastet, de dochter van de oppergod Ra zelf. Geen vreemdeling mocht ze bezitten; op wederrechtelijke uitvoer stonden zeer strenge straffen. Maar gezien de menselijke aard zoals die nu eenmaal is, wekt het geen verwondering dat Griekse en Phoenicische handelslui zich beijverden enkele exemplaren te smokkelen. Op hun reizen deden ze Cyprus aan. Daar konden zij hun gestolen exotische diertjes met grof gewin van de hand doen. Het eiland werd bekend om zijn fraai afgetekende katten. Nog heden ten dage noemen we een fijn gestreept huiskatje een “Cypertje”.
Malta op zijn beurt werd bekend om zijn blauwe katten, die zo beroemd werden, dat een tijd lang àlle blauwe katten, de Blauwe Rus inbegrepen, “Maltezer katten” werden genoemd. Ze waren zeer gevraagd. Dat blauw moet echter wel wat ruim worden uitgelegd. In 1714 beschrijft Tournefort, Hoofd Plantkundige van de Franse Koning Lodewijk XV een zeereis naar de Levant. Daarin schrijft hij nogal nuchtertjes het volgende: “De Levantijnse katten echter zijn niet mooier dan de onze en de sierlijke katten met een grijs gestreepte vacht zijn daar zeer zeldzaam; ze brengen ze mee van het eiland Malta, waar het ras nogal gewoon is”.

 Grote Verwarring

Al die verschillende benamingen: Kat van Archangelsk, Blauwe Rus, Kat van Malta en Spaanse Kat doen een bang vermoeden opkomen. Gaat het hier wel om één ras? Of hebben we misschien te maken met verschillende rassen met slechts een enkel gezamenlijk kenmerk; een blauwe vacht? Blauw is bij katten van oudsher een graag geziene kleur geweest die in vrijwel alle rassen voorkomt. Sommige rassen bestonden zelfs voor nog zeer kort alleen in de kleur blauw, zoals de Karthuizer, de Korat en onze Blauwe Rus. De Karthuizer, dat aardige oude Franse ras, verkeert heden ten dage echter op de rand van de afgrond nu de meeste fokkers hebben besloten de Karthuizer onder te doen gaan in de Brits Korthaar. De Blauwe Rus kennen we tegenwoordig ook in de witte en zwarte variëteit, waarmee de deur is opengezet voor een brede kleurenwaaier, zoals we die bij de meeste andere rassen ook reeds kennen en bewonderen. Feit is dat er jarenlang grote verwarring heeft geheerst over de vereiste lichaamsbouw van de Blauwe Rus. In de vroege hoogtijdagen van de Engelse raskattenfok, zo rond 1895, werden de als slank bedoelde Katten van Archangelsk samen in dezelfde klasse tentoongesteld en gekeurd als de blauwe Brits Kortharen. Tot het grote misnoegen van de “Blauwe Russen” eigenaren verloren hun lievelingen onveranderlijk van de wat boller uitgevoerde inheemse concurrentie. Eerlijkheidshalve moet er wel worden bij verteld  dat de oude foto’s van beide rassen maar een miniem verschil te zien geven. Men moet eigenlijk naar de naam van de kat onder aan de foto kijken om er achter te komen welk ras de fokker eigenlijk bedoelde. Heette het beestje Molly of Dolly, dan was het als Brits Korthaar bedoeld, heette het Ninotchka of Nicholaiewich, dan had men met een Blauwe Rus te doen. 

In 1912 werd er eindelijk orde op zaken gesteld. De klasse werd gesplitst in dik en dun met elk een eigen standaard. Voor de Blauwe Rus werd gestreefd naar de oorspronkelijk bedoelde slanke elegante lichaamsbouw. Uit die tijd stamt ook de benaming “Oosters Blauw” omdat verlangen naar sierlijke slankheid nog eens te benadrukken. De eigenaren en fokkers zelf bleven echter onveranderlijk de voorkeur geven aan de benaming  “Russian Blue”, Nederlandse benaming  “ Blauwe Rus” .  In 1944 kregen Scandinavische fokkers belangstelling voor het ras. In Finland werd een Blauwe Rus poesje, Pierette, bij gebrek aan een mannelijke rasgenoot uitgehuwelijkt aan een Siamees met de factor voor blauw. Toen de Engelse fokkers hoorden van deze uitkruising, werd dat ook in Engeland op slag een rage. Als gevolg daarvan werd in 1950 de standaard wederom veranderd. Er was in feite een effen blauwe Oosters Korthaar ontstaan, een Foreign Blue.  

Hartelijk zeehondje

Al met al was men inmiddels in type en vachtstructuur wel heel ver afgeraakt van het oorspronkelijke, in de vorige eeuw ontstane, ideaal. In 1965 sloeg een groep Engelse fokkers de handen ineen en trachtte de Blauwe Rus terug te fokken volgens de oude standaard. Die werd daartoe in 1966 voor de zoveelste maal aangepast. Het Oosters type werd ongewenst verklaard en een fokprogramma werd opgesteld. Al spoedig deden er meer geestdriftige fokkers mee en in 1967 werd een rasclub opgericht, de “Russian Blue Association”. In de ruim zesendertig jaar die inmiddels zijn verlopen, hebben de raskenmerken zich zodanig goed gestabiliseerd, dat verdere uitkruisingen ongewenst en overbodig zijn geworden. De moderne Blauwe Rus heeft een lang en sierlijk lichaam met een fijn, maar beslist niet iel beendergestel. De kop vertoont een korte wigvorm met een platte schedel. In profiel gezien is het voorhoofd recht, de neuslijn heeft zo’n lichte glooiing, dat hij recht lijkt. Het voorhoofd en de neuslijn maken een duidelijke convexe hoek ter hoogte van de bovenste oogrand.  Uitgesproken (geprononceerde) dikke snorhaarkussentjes en een stevige volle kin vullen het fraaie geheel aan. De ogen zijn stralend gifgroen, staan ver uit elkaar en zijn amandelvormig. De oren zijn groot en puntig, breed aan de inplanting en staan verticaal op de kop geprikt.  De huid van de oren is dun en doorschijnend en slechts spaarzaam met haar bekleed. De staart is matig lang, in verhouding tot het lichaam en loopt langzaam taps toe. De poten zijn slank en hoog; de voeten zijn klein en ovaal. En dan de vacht, het sieraad bij uitstek van de Blauwe Rus. Kort, dik en fijn, lijkt op het vel van een bever of meer nog op dat van een zeehondje. De dubbele vacht met zijn zilveren glans is het ware kenmerk van dit aantrekkelijke ras.
Blauwe Russen gaan heel hartelijk en aanhankelijk met elkaar om. Ze zijn werkelijk dol op de mensen in hun gezin. Meer dan een enkele (volle) kater in huis is echter af te raden, want die verdragen elkaar slecht, wat uit kan lopen op vervelende vechtpartijen. Het zijn uitstekende ouders die hun kittentjes liefdevol en zonder veel problemen of omslag groot brengen. Ze hebben een zacht muzikaal stemmetje; krolse poezen laten zich haast niet horen, uitzonderingen daargelaten. Hun dikke dubbele vacht geeft hun een goede bescherming tegen koude klimaatsinvloeden. Kleine kittentjes vertonen vaak wat tabbystrepen, maar als ze ouder worden verdwijnen
die meestal vanzelf.
De dagelijkse verzorging is hetzelfde als voor alle katten, met één uitzondering: de vachtverzorging. De vacht moet opstaan. Daarom moet hij niet glad langs het lichaam worden gewreven, maar tegen de vleug in met een groffe niet scherpe borstel of kam, hoewel een Blauwe Russenvacht in topconditie in zo’n geval eigenlijk vanzelf zou moeten terugspringen ongeacht welke kant men de vacht uitborstelt.
 

 

                                                                                                     

Met dank aan Jean-Paul Maas voor het mogen gebruiken van zijn 
artikel betreffende de geschiedenis van “ De Blauwe Rus”.