Het Colloseum


De Geschiedenis

Een van de bekendste bouwwerken in Rome is het Colloseum. Het Colloseum werd gebouwd in opdracht van de Flavische keizers en werd daarom ook Amfiteatrum Flavium genoemd. De naam Colloseum werd pas in de Middeleeuwen toegevoegd en is te danken aan het kolossale beeld van Nero als zonnekoning dat stond op de vestibule van zijn "gouden huis".

Het Colloseum werd gebouwd op de plek waar het kunstmeer lag dat de kern was van de woning van Nero. Dit meer is speciaal voor de bouw van het Colloseum drooggelegd. Vespasianus wilde met de bouw van het Colloseum het Romeinse volk dat teruggeven wat onder de tirranie van Nero was afgenomen. Tevens wilde hij Rome een groot amfitheater verschaffen, omdat het Amfitheater Taurus te klein was geworden.

Met de bouw werd begonnen in 79 n. Chr onder keizer Vespasianus en de opening was in 80 n Chr. De openingsfeesten en voorstellingen duurden honderd dagen. In de hieropvolgende jaren werden er een aantal wijzigingen uitgevoerd en werd ook enkele keren restauratie uitgevoerd. Onder Theodorik onderging het Colloseum een laaste restauratie. Dit was rond 500 n. Chr. Hierna raakte het bouwwerk in verval. Het werd in de Middeleeuwen gebruikt als ford door de familie Frangipane en na enkele aardbevingen werd beschadigd materiaal gebruikt voor andere constructies. In de vijftiende eeuw werd het zelfs een travertijngroeve todat Paus Benedictus XV het complex in de achttiende eeuw opnieuw inwijdde.



Het gebouw zelf

Het bouwwerk heeft een elliptische vorm en meet 188 x 156 m. aan de buitenkant en 86 x 54 m. aan de binnenzijde, terwijl de hoogte bijna 49 m. bedraagt.

De buitengevel bestaat uit travertijn en heeft vier verdiepingen waarvan de eerste drie elk uit tachtig bogen bestaan, omsloten door pilasters en halfzuilen, die respectievelijk van onder naar boven Dorisch, lonisch en Korintisch zijn. De vierde verdieping fungeert als kroonlijst en heeft Korintische hoekpilaren waartussen afwisselend vierkante vensters en blinde ruimten liggen die thans leeg zijn maar waarop vroeger vergulde schilden waren aangebracht; de draagsteunen van de zuilen dragen masten waaraan banen textiel, het velarium waren bevestigd die de toeschouwers tegen de zon moesten beschermen en die bediend werden door mariniers van de vloot van Myxene.

De ingangen op de begane grond waren genummerd zodat men gemakkelijk toegang had tot de verschillende caveae. Er waren vier gereserveerde hoofdingangen die niet genummerd waren en die bestemd waren voor persoonlijkheden als magistraten, leden van religieuze orden, Vestaalse maagden; de meest noordelijke ingang, die naar de keizerlijke loge voerde, had een voorhal (klein porticus met twee zuilen) en een met stucwerk gedecoreerde gang.

Langs de buitenbogen had men toegang tot een dubbele rondlopende gang van waaruit trappen naar boven voerden naar de eigenlijke ingangen tot de caveae (vomitoriae); ook op de tweede verdieping bevond zich een dubbele omgang, en tevens op de derde, maar deze laatste was minder hoog, terwijl twee enkele bovenelkaarliggende gangen ter hoogte van de kroonlijst liepen.

De cavea was van de arena gescheiden door een bijna vier meter hoog podium, waarachter zich de ereloges bevonden; zij was horizontaal in drie orden verdeeld (maeniana) die van elkaar gescheiden waren door muurtjes (baltei). De eerste twee maeniana (waarvan de tweede was onderverdeeld in een boven- en een ondergedeelte) hadden marmeren tribunes en waren verticaal onderbroken door de hieropuitkomende ingangen (vomitoria) en door trappen; zodoende vormden zich cirkelsektoren die cunei werden genoemd. Het was op deze manier mogelijk de plaatsen een nummer te geven volgens tribune, sektor en zitplaats. De derde maenianum, of maenianum summum, had daarentegen houten tribunes en was van de onderliggende maenianum secundum gescheiden door een hoge muur; deze had een zuilengang met galerij die gereserveerd was voor de vrouwen met daarboven een terras met staanplaatsen bestemd voor de lagere volksklassen.

De arena was oorspronkelijk in het midden overdekt met houten panelen die, indien dit voor de voorsteling nodig was, konden worden verwijderd. Ter bescherming van de bezoekers in de cavea werd tijdens de jacht op wilde dieren, een ijzeren netwerk aangebracht met uitlopers aan de bovenkant en met horizontale draaischijven waardoor de dieren geen aanval op het net konden doen.

In het sous-terrain van de arena bevond zich al wat nodig was voor de voorstellingen: kooien voor de dieren, scenerieën, wapenopslagsplaatsen voor de gladiatoren, werktuigen etc. Deze onderaardse vertrekken bestonden uit drie rondlopende omgangen met openingen die zorgden voor een functionele verbinding tussen de verschillende sektoren; een reeks van dertig nissen in de ringmuur waren waarschijnlijk bestemd voor goederenliften die de dieren en gladiatoren naar de arena moesten hijsen.

Voor de bouw van het Colloseum werd op rationele wijze gebruik gemaakt van de reeds bestaande ruimte van de waterpartij van de Domus Aurea, waarop, toen het meer eenmaal drooggelegd was, de fundamenten konden worden aangebracht en men zodoende enorme funderingskosten kon besparen. Op een groot ellipsvormig betonnen grondvlak werden travertijnen pilaren aangebracht die tot de derde verdieping reikten, terwijl straalsgewijs muren in tuf- en baksteen werden gebouwd. Zodoende kon men tegelijkertijd beneden en boven werken. De bouw werd in vier sektoren onderverdeeld waarin tegelijkertijd door vier verschillende bouwbedrijven werd gewerkt.

In het Colloseum vonden verschillende voorstellingen plaats; munerae, of gladiatoren gevechten, venationes, wilde dierenjachten, en de reeds genoemde naumacheeën of scheepsslagen. Deze laatsten werden al snel naar andere ruimten verplaats vanwege de problemen verbonden aan het laten onderlopen van het amfitheater. Vooral beroemd is gebleven de reconstructievoorstelling, in opdracht van Titus, van de scheepsslag tussen Korinthe en Corcyra, waaraan drieduizend man deelnam.

De gladiatoren gevechten werden gehouden in de vorm van duellen, vaak tot de dood van een van de duellanten. Onder Theodorik in 532 n. Chr vond er voor het laatst een jacht plaats in het Colloseum. Hoewel de meningen hierover verdeeld zijn was er in het Colloseum waarschijnlijk plaats voor ongeveer 50000 mensen.

BACK